¶ §Plaats en tijd
Toen de Twin Towers instortten, volgde ik de ramp met een collega op internet. We waren beduusd. De Tsunami kwam op hetzelfde moment als de appeltaart met kerst. De Bijlmerramp is al veel langer geleden. Maar ik weet nog precies waar ik was. Dit geldt voor alle rampen. Ook persoonlijk verdriet is altijd verbonden aan een plaats en een tijd. Precies een jaar geleden worstelde ik met een financieel overzicht voor een klant. De lentezon scheen door het raam. Ik concentreerde me op nietszeggende cijfertjes. Mijn telefoon ging. Een mooie afleiding. Mij niet heus. ‘Het is helemaal niet goed’, zei mijn moeder. ‘Helemaal niet.’ Sindsdien worstel ik niet meer met cijfers, maar met het afscheid van iemand die mij lief is. Een afscheid dat steeds dichterbij komt. Andersom werkt dit hetzelfde. Ook mooie momenten gaan altijd samen met een plaats en een tijd. Gelukkig maar.
¶ §Verleid in de supermarkt
Zij fietste elke dag door onze straat. Soms in een rechte lijn. Soms ook niet. Ik hoorde de lege flessen rinkelen in haar fietstas. Het geluid van verval. Ze was niet ouder dan veertig, maar ik zag een oude vrouw. Een gezicht voor altijd getekend door ellende uit een fles. In de supermarkt vertelde ze genegeerd dat ze een feestje had gehad. ‘Het was gezellig’, zei ze. De nieuwe flessen verborg ze onder een zak chips of aardappels. Ze rekende pas af als alle bekenden weg waren. Het meisje achter de kassa wist van haar geheim. Dat kon niet anders. Acht jaar later stierf ze. De moeder van mijn vriendjes van vroeger. Het verval van haar lichaam was sterker dan de drank. Vandaag vraagt Stichting Alcoholpreventie aan supermarktketens of ze niet meer willen stunten met bierprijzen. Ze mogen geen klanten lokken met een potentieel verslavend product. Dit zou overmatig alcoholgebruik voorkomen. Voor veel mensen is dit een zinloze maatregel. Want of ze nu veel of weinig betalen: het weerhoudt ze niet van hun dagelijkse martelgang naar de supermarkt. Uiteindelijk betalen zij altijd een te hoge prijs…
¶ §Anti-rimpelcréme
Op mijn dertiende kwam ik achter het geheim van de grote cosmeticahuizen. Het is allemaal nep. Ik bezocht met mijn ouders het Franse bloemenstadje Grasse. De schilderachtige straatjes ruiken naar lavendel en rozen door de bloemenvelden die de stad omringen. In Grasse zijn ongeveer veertig parfumfabrieken. Wij bezochten er één. Je kon er flessen parfum kopen. Geen lullige 50 ml flesjes, maar halve liters. Voor ongeveer 25 gulden. Het was parfum van gerenommeerde merken. Maar dan in een neutraal flesje van de fabriek zelf. Je betaalt dus veel geld voor het flesje en niet voor de inhoud. Sindsdien voel ik me altijd een beetje bedrogen als ik heel veel geld uitgeef in de parfumerie. ‘Maaike, je trapt er weer in’, zegt een vervelend stemmetje krengerig. Ik negeer het keer op keer. Een half jaar geleden werd ik dertig. Ik kocht mijn eerste potjes anti-rimpelcréme. Van een duur merk. In euro’s viel de prijs best mee. Het kleine stemmetje bleef echter actief: ‘Sukkel. Het is hetzelfde als met parfum. Je betaalt ook voor de naam. Alles komt gewoon uit dezelfde fabriek. Duur of goedkoop. De volgende keer ga je naar de Hema.’ En ik luisterde. Sinds dit weekend ben ik de trotse gebruiker van Hema 25+ créme. 30+ bestaat niet. Ik word daarom niet elke ochtend met mijn neus op de feiten gedrukt. 25+ klinkt jonger. Bovendien voelt mijn huid aan als satijn. Het lijkt wel Chanel. De crème doet wat zij belooft. Echt Hema!
¶ §Meeloophaantje
Vriendinnenlunches zijn bedoeld om bepaalde mensen door de mangel te halen. ‘Dat vind ik twee mensen die totaal niet bij elkaar passen’, zegt C. ‘Nee’, zeg ik. ‘Zij is een kenau en hij is een meeloophaantje.’ Het is Pasen 2005. Een nieuw woord is geboren. Hoe toepasselijk: het meeloophaantje. Het meeloophaantje werkt in een grote organisatie met veel haantjes. Bij voorkeur een IT-bedrijf. Hij wil graag één van de haantjes zijn. Diep van binnen is hij echter een zacht ei. Het meeloophaantje meet zich een stoer loopje aan. En deelt seksistische opmerkingen uit aan vrouwen die een kort rokje aan hebben. Dat doen alle haantjes. Dus hij ook. Op één punt gaat het fout: seks. Een haantje loost zijn dame na een heftige nacht. Het meeloophaantje heeft daar moeite mee. Hij wil haar gevoelens niet kwetsen. Aan de andere kant wil hij zich niet laten kennen. Er staan vriendschappen op het spel. Dus dumpt hij haar. Maar wel met een steen in zijn maag. Het meeloophaantje kiest uiteindelijk een vrouw waar de haantjes niet voor gaan. Een type dat niet interessant genoeg is voor hen. Een vrouw met de broek aan. Een vrijgevochten dame met haar op de tanden. Iemand die haantjes direct doorziet. Dat zijn kippetje niet woest aantrekkelijk is, maakt niets uit. Het gaat hem om de liefde. Laat het de andere haantjes maar niet horen. Met zulke ‘foute mannen’ willen zij liever niet omgaan.
¶ §Paashaas is een stoere jongen
De paus is ziek. Daarom weet ik niet of hij net als andere jaren zijn ‘Urbi et orbi’ heeft uitgesproken. Het boeit me ook niet zo. Pasen is steeds meer een commerciestunt. Wat me wel boeit, is waar alle symboliek rondom Pasen vandaan komt. In heel de wereld is hét symbool van Pasen het ei. Waarom? Een gesloten ei lijkt dood. Maar als de schaal breekt, komt er een piepend kuikentje uit. Dit is het symbool voor de kruisdood en de daaropvolgende opstanding van Jezus. Maar waarom zoeken wij massaal paaseieren? Dat ligt niet voor de hand. Vroeger staken boeren eieren in de grond om hun akkers vruchtbaar te maken. Ons gebruik om eieren te verstoppen met Pasen vindt daarin zijn oorsprong. En die paashaas dan? Vanwege zijn enorme voortplantingsdrang is de haas hét vruchtbaarheidssymbool. Stoere jongen dus die paashaas! Eieren, paashaas en vruchtbaarheid. Gisteren heb ik voor het eerst de zwangere buik van
vriendin T. gezien. Tijdens haar housewarming. Dat blijft voor mij het ultieme symbool van vruchtbaarheid. En niet de paashaas. Mooi hoor dat prille geluk!
¶ §Wegpiraat Hans
Ongeveer zeven jaar geleden kreeg ik op weg naar mijn werk bijna een ongeluk. Ik werd afgesneden door een blonde man op een brommer. Het verbaasde me niet. Ik wist wie de bestuurder was. ‘Nou zeg. Ik ben vanmorgen bijna door Hans K. jr. van mijn sokken gereden’, vertelde ik tegen mijn collega’s. ‘Dat kan volgens mij niet’, zei ex-collega C. en (bijna) buurvrouw van Hans K. jr. ‘Hij krijgt een rijverbod en mag een paar maanden niet rijden.’ ‘Hij was niet met de auto, maar hij zat op een brommer’, maakte ik haar duidelijk. ‘Het is heel zielig hoor’, zei C. ‘Hij kan straks het dorp niet meer uit.’ ‘Nou, dat is helemaal niet zielig’, riep ik. ‘Dan moet hij maar niet zo hard rijden. Een rijverbod krijg je niet voor niets.’ Een week later kwam C. vrolijk op het werk. ‘Jij gaat toch altijd stappen in Den Bosch?’, vroeg ze. ‘Ehh, ja’, stamelde ik. ‘Dat heb ik gezegd tegen Hans K. jr. Hij wil graag met jullie mee zaterdag.’ Een seconde daarna kreeg ik zijn telefoonnummer in mijn handen gedrukt. Ik belde direct vriendin H. ‘Je raadt nooit wie zaterdag met ons wil stappen…. Hans K. jr.’ ‘Echt niet. No way. Geen sprake van!’, riep H. direct. Ik was het met haar eens. Wegpiraat Hans K. jr. mocht niet mee. Deze ‘kans’ lieten wij graag aan ons voorbij gaan. Zojuist belde vriendin H. mij op: ‘Ik zag je vriend nog in Den Bosch. In een foute kroeg. Hij had geen lift naar huis nodig…’ Mijn vrienden hebben Hans K. jr. omgedoopt tot mijn vriend. En daar ben ik niet trots op.
Enige gelijkenis met een ex-profvoetballer en tv-persoonlijkheid berust niet op een toevalligheid.
¶ §Arrivederci Roma!
De voorjaarszon schijnt fel in mijn ogen. Daardoor kan ik niet zien of mijn muntjes in de Trevifontein belanden of ernaast. Dat is jammer. Een beetje geluk kan ik wel gebruiken. Ik neem plaats op de stenen rand van de fontein en negeer Italianen die luid ‘Ciao Bella!’ roepen. Het kabbelende water geeft mij een ontstappen gevoel. Het is voorjaar in Rome. In Nederland is het fris. Ik heb zonnebrandcrème nodig om verbranding tegen te gaan. ‘Waarom heb ik zulke blanke schouders?’, zeg ik tegen niemand in het bijzonder. Twee bejaarde dames kijken me vreemd aan. ‘Wat voor taal spreekt zij?’ Ik krijg dorst door het warme weer. Een cappuccino lonkt. Ik verlaat de Trevifontein. ‘Arrivederci’, zeg ik tegen de bejaarde dames. Onderweg naar Piazza Campo de’ Fiori omzeil ik toeterende Vespa-scooters. De mannen op de scooters zijn leuk. Het maakt mijn dag extra zonnig. Ik onderdruk de verleiding om te gaan shoppen in Via Condotti. In plaats daarvan breng ik straks een bezoek aan de Spaanse trappen. Een schoolvoorbeeld van de Italiaanse Rococo. Waarom ben ik niet geboren in het elegante en stijlvolle Italië? Want natuurlijk was ik vandaag niet in Rome. Ik heb niet meer gezien dan de binnenkant van de wc-pot. Kotsmisselijk. Maar een beetje fantaseren kan geen kwaad. Of was ik gewoon aan het ijlen?
¶ §I am what I am
Reebok heeft een nieuwe campagne gelanceerd
I am what I am. Daarmee willen ze jonge mensen laten zien dat het oké is om jezelf te zijn. Jongeren moeten snel hun eigen stem vinden. En niet afgaan op de mening van anderen. De kleding dragen die zij zelf leuk vinden, mits die van Reebok is…
I am what I am. Ik heb er een dubbel gevoel bij. Als 15-jarig meisje was ik onzeker. Over mijn uiterlijk, studiekeuze en jongens. Ik spiegelde me aan anderen. Het kwam niet bij me op dat ik ook mezelf kon zijn. Volgens mij staan tieners nog steeds op die manier in het leven. Jezelf ontdekken is een leerproces. Een lange weg vol blijdschap en verdrietjes. Dromen die uitkomen. En verlangens die verloren gaan. Het is zeker geen kwestie van een knop omzetten. Campagnes zoals die van Reebok zijn misschien een eye-opener. Maar niet meer dan dat. De sleutel is het leven zelf en alles wat je meemaakt. Durf te leven, grijp kansen en beantwoord verlangens. Op een gegeven moment valt de ‘wie ben ik’ puzzel vanzelf in elkaar. Bij de één wat sneller dan bij de ander. Wat dat betreft ben ik zelf een vijfsterren cryptogram.
Just do it! Dat zou Reebok moeten zeggen. Maar helaas was die pay-off al bezet…
¶ §Verliefd?
Soms kunnen dromen je ontzettend bedriegen. Vannacht was ik verliefd. Smoorverliefd. Op een onbekende die ik nooit eerder heb gezien. Ik kon niet meer eten of slapen. Mijn geheugen functioneerde niet meer. Hij was zo lief en mooi. Bruin haar, blauwe ogen en kuiltjes in zijn wangen. Een sportief lijf. Geen witte sokken of streepjesbloes. En hij had al zijn aandacht gericht op mij. Zonder dubbele bodem. Ik voelde mij een prinsesje. Mijn huid tintelde door zijn aanraking. Kippenvel door oogcontact. Ik had geen last van twijfels of onzekerheid. Maar genoot van het moment. Met volle teugen. Totdat het beeld langzaam vervaagde in mijn hoofd. Ik word wakker in mijn eigen bed. Alleen. En ben nog steeds verliefd. Tenminste zo voelt het. Ik weet alleen niet op wie. De man in mijn dromen bestaat niet. Maar dat is een luxeprobleem. Het gevoel alleen is al heerlijk. Ik heb even energie voor tien. Misschien ben ik wel gewoon verliefd op het leven.
¶ §Brownies baren
De woorden van H. gonzen in mijn hoofd: ‘30+ vrouwen die single zijn, bakken taarten om hun kinderwens te onderdrukken. Het is een soort baringsproces voor ze.’ Nu wil ik best kinderen als het plaatje klopt. Maar op dit moment ben ik er nog niet klaar voor. Dus schrik ik als ik opeens ontzettend veel zin heb om brownies te bakken. Dat had ik vroeger nooit. Zou H. dan toch gelijk hebben? Ik kies gemarmerde cakejes met twee soorten chocolade en volg het recept exact. Bloem zeven, eieren, bakpoeder en suiker erbij, witte en pure chocolade smelten met boter. En dan gaat het mis... De boter moest bij de bloem en niet bij de chocolade. Maar dat stond niet in mijn recept. Daarom onstaat er een dikke deegklomp in mijn beslagkom. Ik grijp naar de yoghurt om het deeg weer vloeibaar te maken. Het helpt niet. ‘Ach, wat maakt het uit’, zeg ik. ‘In de oven komt het vast weer goed.’ Ik gooi de deegklomp in een bakblik en zet de oven aan. Drie kwartier later is de klomp veranderd in blubber. Ofwel, een soort kruimeldeeg dat voor brownies moet doorgaan. Het ziet er vies uit en het smaakt vies. De enige die hier raad mee weet, is de vuilnisbak. Zucht. Als dit mijn voorbereiding is op het baringsproces, dan heb ik nog een zeer lange weg te gaan...
¶ §Nieuwe fiets
Ik moet iets bekennen. Mijn fietsband is al bijna een jaar lek. En sindsdien heb ik niet meer gefietst. Dat komt niet alleen door de lekke band, maar ook omdat ik een rotfiets heb. Zelfs als het windstil is, trap ik mezelf een ongeluk. Niet echt fijn. Dus moest er een nieuwe fiets komen. Maar dat vond ik weer zonde van het geld. Maaike gaf haar centjes liever uit aan een dvd-speler, een digitale camera en een reisje naar Barcelona. Drie weken geleden was zusje N. jarig. Zij kreeg een nieuwe fiets cadeau van haar vriend. ‘Wat heb je met je oude gedaan?’ informeerde ik. ‘Die staat nog in de schuur’, zei zusje N. ‘Wil je hem hebben?’ ‘Ja graag!’ riep ik enthousiast. Wanneer kan ik hem ophalen?’ ‘Liever vandaag dan morgen’, aldus zusje N. Sinds drie dagen fiets ik op een verroeste Gazelle. Hij is niet zo fraai meer, maar trapt net zo licht als een gloednieuw exemplaar. Bovendien is een té mooie fiets té aantrekkelijk voor fietsendieven. En daar heb ik mijn buik van vol. Wat zullen mijn collega’s opkijken als ik morgen met de fiets naar het werk kom. Nu maar hopen dat het niet regent. Want Maaike, fietsen en regen dat gaat (nog steeds) niet samen…
¶ §Spiegeltje, spiegeltje aan de wand
Zij rent heel hard over de rode atletiekbaan. Ik zie dat ze in de bocht haar pas inhoudt. In mijn lijf ontbrandt een zenuwachtig gevoel. Wat als ik het stokje mis? Wat als we weer worden gediskwalificeerd?
Miss Pebbles steekt haar hand naar me uit. Ik voel hoe mijn vingers een metalen voorwerp vastgrijpen. Hebbes! Het is gelukt. En nu rennen….
Omschrijf jezelf in vijf woorden
Energiek, creatief, vrolijk, eigenwijs en enthousiast.
Wat vind je mooi aan jezelf?
Ahum. Kun je deze vraag wel bescheiden beantwoorden? Mijn handen zijn mooi, maar mijn nagels niet. Mijn ogen stralen, maar mijn haar is futloos. Ik heb dunne benen, maar een klein buikje… En volgende week vind ik vast en zeker mijn tenen elegant. Mijn mening over mijn uiterlijk verandert met de dag. Ben niet voor niets een weegschaal. Zucht.
Hoe voel je op dit moment?
Fris en fruitig na een heerlijk dagje vrij. En een beetje chagrijnig omdat de rits van mijn lievelingslaarzen is gesneuveld. Je hebt toch meer dan genoeg schoenen? Ja, maar laarzen zoals deze vind ik nooit meer. Het is een zwarte dag in mijn schoenengeschiedenis.
Zou je iemand anders willen zijn?
In eerste instantie denk ik aan Maxima. Maar dat is niet helemaal doordacht. Dat zou betekenen dat ik vrijwillig het bed moet delen met Prins W. Bah. Ik ben niet gek. Dan ligt Wendy van Dijk meer voor de hand…
Aan wie geef je dit stokje door?
Het is maar goed dat ik geen estafetteloopster ben. Hoezo? Mijn team zou de finish nooit halen. Ik laat stokjes altijd vallen. Diskwalificatie is onvermijdelijk. Daarom reik ik nu mijn hand vol spanning uit naar de volgende… Wie zorgt ervoor dat ik zonder kleerscheuren de finish behaal?
¶ §Huisartsen en ondergoed
'Doe nu je truitje maar even omhoog', zegt hij. 'Helemaal?', vraag ik. “Ja, anders kan ik niet naar je longen luisteren.” Ik aarzel. Niet omdat ik preuts ben, maar ik weet niet zeker of ik wel huisartsvriendelijk ondergoed aan heb. Blikdicht en zonder kant. Een huisarts is heus wel iets gewend. Die zien meer vrouwen in hun blootje dan een eersteklas Casanova. Maar het gaat om het idee. Dus gluur ik in mijn trui. Het kan er mee door. Beschaafd zwart. Een paar seconden later zit ik halfnaakt voor een vijftigplusser. Hij heeft niets van mijn aarzeling gemerkt en praat vrolijk door. Even later lucht ik mijn hart bij H. ‘Ik word verlegen van huisartsen’, zeg ik tegen haar. ‘Het liefste draag ik een omaonderbroek en een hemd. Stom hé?’ ‘Dat is heel normaal’, zegt H. ‘Je denkt toch niet dat ik een stringetje draag bij de fysiotherapeut’, zegt ze vrolijk. ‘Het is een oudere man. Ik heb speciaal voor hem nieuwe onderbroeken gekocht. Boxershorts met pijpjes. Dan voel ik me veel beter. Ik ga niet in mijn nakie voor een kerel staan.’ ‘Zou ik ook doen’, lach ik. ‘Waarom zijn wij geen man? Ik weet zeker dat de meeste kerels schaamteloos in een boxershort met stripfiguren voor hun huisarts staan. Verschil moet er zijn.’
¶ §Je echte leeftijd
Op een dag wilde ik niet meer jonger lijken dan ik was. Studiegenoten vroegen aan mij of ik op de middelbare school een klas had overgeslagen. Een NS-conducteur beschuldigde me van diefstal van een OV-jaarkaart. Ik was ten einde raad. Het leeftijdsprobleem kwam door mijn lange lokken. Daardoor leek ik op een meisje van vijftien. ‘Dat haar gaat eraf’, zei ik tegen mijn moeder. ‘Ik lijk wel een kleuter.’ Natuurlijk vond mijn moeder het zonde, maar ik was niet te stoppen. Het was tijd voor pittig kort. Ook mijn kapster wilde me tegenhouden. ‘Weet je het zeker? Je haar is helemaal gezond. Knippen is echt niet nodig.’ ‘Ja’, zei ik. ‘Knip af die handel. Ik wil een vrouw zijn en geen meisje.’ Een uurtje later had ik een fraaie boblijn. Geen enkele etalageruit was veilig voor me. Ik stopte overal om mijn nieuwe volwassen uiterlijk te bewonderen. Daarna fietste ik snel naar mijn beste vriendin. Zij moest bevestigen hoe oud ik was geworden. Ik belde aan en haar moeder deed open. ‘Maaike je hebt je haar geknipt. Wát zonde!’ riep ze uit. Maar het ergste kwam nog. ‘Je lijkt echt véél jonger zo.’ Toen werd ik stil. Heel stil. Vervolgens gilde ik heel hard. ‘Maak je niet druk’, zei mijn vriendin. ‘Wacht maar tot je dertig bent. Dan vind je het leuk om jonger te lijken.’ Nu pas besef ik dat ze gelijk heeft gekregen.
¶ §Volgens hem & volgens haar
Ongeveer 70 procent van de mannen vindt een blote buik van hun vrouwelijke collega best representatief. Slechts 29 procent van de vrouwen vindt dit acceptabel. Kortom: laat je navel zien als je in een bedrijf werkt met veel mannen. Maar ik vraag me af of deze cijfers wel kloppen. Daarom heb ik een persoonlijke onderzoekje ingesteld. ‘Vind jij blote navels kunnen op het werk?’ vraag ik aan A. (een man). ‘Nee zeg. Dat kan alleen op het strand. Een blote buik op het werk is aan mij niet besteed’, zegt A. ‘Oké’, zeg ik terwijl ik een vrouwelijk slachtoffer zoek. Collega I. komt binnen. ‘Hé I.’, zeg ik. ‘Hoe denk jij over een blote navel op het werk?’ ‘Gatsie dat is ordi’, zegt I. ‘Het is hier geen disco.’ De rest van de dag ondervraag ik iedereen die langskomt. Maar keer op keer hoor ik nee. Ze zijn allemaal anti-bloot. Het onderzoek klopt voor geen meter. Of de mannen om mij heen zeggen wat anders, dan ze denken. Mijn pen valt op de grond. Ik raap hem op en mijn T-shirt schuift iets omhoog. ‘Je hebt een blote buik!’ roepen twee collega’s direct. ‘Dat klopt’, zeg ik ‘Maar alleen als ik buk en weer opsta. Dankzij mijn heupbroek. De rest van de tijd blijft mijn 30+ navel undercover.' Zo hoort het ook. Een blote buik op het werk kan. Mits je onder de twintig of zwemjuf bent.
¶ §Black book
Van Gogh, Matisse en Hemmingway hadden er één. En ik nu ook. Een Moleskine notitieboekje. Hij is klein, zwart en heeft zuurvrij papier. Maar ik weet eerlijk gezegd niet wat daarvan het voordeel is. Je kunt het boekje sluiten met een elastiek. Het gaat nooit open in je (hand)tas. Dus een Moleskine is vrouwvriendelijk. Ik heb mijn Moleskine gekocht om aantekeningen te maken. Zodat ik overal mijn gedachtekronkels kan noteren. Later kan ik ze eventueel omtoveren tot een logje. Bovendien gaan mooie en nare dingen op deze manier nooit meer verloren. Maar waarmee moet ik mijn Moleskine beginnen? Wat is er op een zondagochtend in maart het vermelden waard? Ik heb niet lang getwijfeld. Mijn telefoon ging en het antwoord kwam vanzelf.

¶ §Weblogbabes in de Domstad
Webloggen is relatief nieuw voor mij en afspreken met webloggers is helemaal nieuw. Het is half drie. Nog een half uurtje en dan beleef ik mijn primeur. Een blind date met acht vrouwen. Welke man zou dat niet willen? Natuurlijk heb ik van iedereen een voorstelling gemaakt. Ik ben benieuwd of mijn beeld klopt. Een tikkeltje zenuwachtig loop ik ’s middags Le Journal in Utrecht binnen. Het zal toch wel leuk worden? Er zal toch wel een klik zijn? Of vallen er alleen maar pijnlijke stiltes? Ik vraag naar de tafel die is gereserveerd door
Life. Drie mede-logsters kijken me nieuwsgierig aan. ‘Wie is zij?’, schreeuwen hun ogen. ‘Ik ben Maaike’, zeg ik. ‘Je straalt je log uit’, zeggen zij. Dat vind ik grappig om te horen. Het ijs is snel gebroken. Steeds meer logsters druppelen binnen. We kletsen en kletsen en kletsen. Ik heb nog nooit eerder met onbekende dames zoveel raakvlakken gehad. Dat is bijzonder. We zorgen voor leven in Le Journal. Een engerd met donkerbruin haar in een grijze trui kijkt meermalen onze kant op. Is het een weblogspion? Of is hij gewoon geïnteresseerd in ons dames? Mijn fantasie slaat op hol. We bestellen wat te eten. Kletsen, kletsen, kletsen. Pas om acht uur verlaten we Le Journal. ‘Het was leuk hé?’, zeggen we allemaal. Niet veel later waait iedereen uit op het station. In de trein denk ik maar één ding: ‘Zullen we het nog een keertje overdoen? Want het was wel naar mijn zin…’
Life,
Sue,
Joan,
Jet en
Saskia zijn me voor met een verslag.
¶ §Rayando el sol
De Latijns-Amerikaanse muziek van Mana komt uit de speakers. Ik zing mee met de Spaanse teksten.
‘Rayando el sol. Rayondo por ti…’ Het is half 12 ‘s avonds en ik rijd Oudekerk aan de Amstel uit. In de verte ligt de Amsterdam Arena. De kantoorpanden die ernaast liggen zijn fel verlicht. Het geeft me een vrolijk gevoel. Dat komt ook door de leuke avond die ik achter de rug heb. Een etentje met oud-collega’s. Heerlijk eten, bijkletsen en de laatste roddels uitwisselen. Op de A2 is het donker en leeg. De files van een paar uur eerder zijn verdwenen. Hetzelfde geldt voor de regen. Autorijden in de nacht is rustgevend. Ik passeer Utrecht en ook daar verlichten de kantoorpanden de nacht. De auto’s die voorbij scheuren hebben geen oog voor de schoonheid van het donker. De bestuurders willen snel naar huis. Het is laat. Ik vind het heerlijk om even alleen te zijn met mijn gedachten. Autorijden in de nacht is rustgevend. Mijn cd is afgelopen. Ik druk op repeat.
‘Rayondo el sol. Rayando por ti’ hoor ik weer. Vrij vertaald betekent dit:
‘De zon schijnt. Hij schijnt voor jou’. Plotseling besef ik dat alles goed komt… Straks.
¶ §Uit en in de rij
Voor het eerst deze week heb ik geen werk mee naar huis genomen. Het is mijn vrije avond. Vanavond ga ik sporten. Daarom haal ik een snelle maaltijd in de supermarkt. Ik sluit aan in de rij. ‘Dames en heren ik ga sluiten’, roept het kassameisje als ik bijna aan de beurt ben. ‘Jullie moeten aansluiten in de andere rij.’ ‘Had ze dat niet eerder kunnen zeggen?’, merkt een vrouw in een kanariegele jas op. ‘Wat een lui kind. Niet normaal. Ze kunnen toch voor vervanging zorgen? Ik vind dit een rotsupermarkt.’ ‘Ja’, zeg ik. ‘Daar ben ik het mee eens. Maar hij is wel naast mijn deur. En dat is handig.’ De rij voor de andere kassa is lang. Heel lang. Dat kost tijd. Ik moet wachten omdat het luie kassameisje op tijd haar piepers op het fornuis wil zetten. Daarom ben ik boos. De vrouw in de kanariegele jas kijkt ook kwaad. Nog voor ik aan de beurt ben, rent het kassameisje de deur uit. ‘Ik ben weg hoor. Het is een lange dag geweest. Ik ben zo moe. En ik wil de trein halen. John wacht op me.’ ‘Groot gelijk hoor’, zegt de kanariegele jas. ‘Jullie meiden moeten zo hard werken tegenwoordig. Daar heb ik bewondering voor.’ En terwijl ze dat zegt, laat ze een pot mayonaise op de grond vallen. Haar suède laarzen zijn bedekt met witte klodders. Eigen schuld. Haar leugen is direct bestraft.
¶ §Wonder
‘Geloven
jullie nog in een wonder?’, vraagt A. ‘Dat durf ik niet’, zeg ik. Maar ik denk er wel veel aan. Dat zou iedereen doen in mijn situatie.’ Het leven zit vol met wonderen’, benadrukt A. Ik heb een keer mijn portemonnee teruggevonden in een drukke winkelstraat. Dat was een wonder. Soms zijn wonderen zo klein dat je ze niet eens ziet. Bijvoorbeeld voorjaarsbloemen die een sneeuwbui overleven. Ze gebeuren overal om je heen.’ ‘Behalve als je erop wacht’, vul ik haar aan. Op een wonder mag je nooit vooruit lopen, dan komt het niet op je pad. Wonderen gebeuren altijd plotseling. Ze zijn ongrijpbaar. En daarom reken ik nergens op. Alleen dan zal het wonder gebeuren. Als wonderen te koop zouden zijn in de supermarkt, dan bestaan ze niet meer.’ ‘Je hebt gelijk’, zegt A. ‘Wonderen zijn niet te koop. Soms begrijp je door het wachten op een wonder wél meer van het leven.’ Op het moment dat A. dit zegt schiet mij een liedtekst te binnen.
Toch is het alsof dit leven/ Ons soms iets vertelt/ Dat meer is dan geluk of verdriet/ Leven is meer dan een dwaas/ Of een held/ Zonder het wonder/ Leven we niet.
(Dit logje heb ik opnieuw online gezet, omdat mijn weblog vannacht is overgezet op een nieuwe server zijn er wat reacties verdwenen!)
¶ §Sneeuwklokje
‘Het is weer bijna lente’, riep M. ‘Elke morgen hoor ik de vogels. De lucht is heel zacht buiten. Ik heb zelfs al sneeuwklokjes gezien.’ M. had het bij het verkeerde eind. De vogels hielden snel daarna op met fluiten en de sneeuw viel uit de lucht. Even veranderde ons landje in een wintersportoord. In elke kroeg klonk skihutmuziek. Auto’s wilden niet starten. Ik zag een oma met roze snowboots achter een rollater lopen. En ik werd frontaal geraakt door een sneeuwbal. Na een week was ik het zat. Ik belde M. ‘Jij hebt die stomme sneeuwklokken te vroeg horen luiden’. ‘Daar kan ik toch niets aan doen’, zuchtte M. ‘Door het broeikaseffect is het weer van slag. En daardoor zijn alle sneeuwklokjes dood. Dat is zielig.’ Amper een week later. Ik word wakker van fluitende vogels. Heerlijk. De sneeuw is helemaal verdwenen. Ik kan naar mijn auto lopen in plaats van glijden. Mijn oog valt op iets wits. In de gemeentetuin staat een sneeuwklokje fier overeind. Ik stuur een sms naar M. ‘Ik heb een levend klokje gespot. Nu wordt het echt lente. Geen vals alarm ditmaal. Jippie.’ Opeens heb ik heel veel zin om nieuwe schoenen te kopen…
¶ §Licht in mijn hoofd
Ik ga naar de keuken om thee te halen. Daarna zit ik vijf minuten achter mijn bureau. Heb ik mijn mobiel wel uit mijn jaszak gehaald? Ik twijfel en loop naar de hal. Geen mobiel in mijn jas. Dan zit hij gewoon in mijn tas. Dat had ik beter direct kunnen controleren. Ik zit weer vijf minuten achter mijn bureau. Shoot. Ik heb nog niet gekeken of er post is. Natuurlijk is mijn postvakje leeg. Ik zit weer vijf minuten achter mijn bureau. Eigenlijk wil ik geen thee, maar cola. Ik heb cafeïne nodig. In de keuken maak ik een praatje met collega A. Het gaat niet over werk. Ik zit weer vijf minuten achter mijn bureau. Mijn maag knort. Het is tijd voor een boterham. Of misschien kan ik beter een sinaasappel nemen? Ik zit weer vijf minuten achter mijn bureau. Mijn handen kleven van de sinaasappel. Ik ga naar het toilet om mijn handen te wassen. Enzovoort. Enzovoort. Het gaat niet goed met mijn concentratievermogen. Mijn hoofd is geen onderdeel van mijn lichaam. Het lijkt wel of ik de hele dag zweef. Zo voel ik me ook als ik cocktails heb gedronken in de warme zon. Rozig. Dat is best lekker, maar niet handig als je moet werken. Dus doe ik mijn raam ver open en adem gulzig frisse lucht in. Mijn collega’s vragen of ik last heb van opvliegers. ‘Nee’, zeg ik. ‘Ik ben dronken van moeheid.’
¶ §Boos of niet boos (II)
‘Hij is er niet hoor’, zegt H. ‘Ik zie zijn auto niet voor de deur staan.’ ‘Hij durft vast niet’, zeg ik. ‘Of misschien had hij golfles vanochtend. En is hij een beetje moe. Maar golf is een sport voor oude mensen. Als je daar moe van wordt, dan ben je een watje. Daar wil ik zeker niet mee uit.’ Een half uur later verschijnen broer en zus vrolijk op de verjaardag. Broer kijkt me vluchtig aan en gaat aan de andere kant van de kamer staan. Zus begroet me met drie zoenen op mijn wangen. Volgens mij is ze de afwijzing vergeten. ‘Heb je nog leuke dates in de planning?’, vraagt ze zelfs. ‘Ehh nee’, zeg ik. ‘Heb geen aanzoek gekregen dat de moeite waard is.’ Oeps, dat had ik misschien iets anders moeten formuleren. Maar zus pakt het niet zo zwaar op. ‘Jouw tijd komt nog wel’, zegt ze. Terwijl ze steels naar haar broer kijkt. Ik kan zijn gesprek van een afstandje volgen. Hij praat met zijn vriend over het weer. ‘Kijk het sneeuwt weer. Koud is het zeg. Ik heb vanmorgen twee uur op de golfbaan gestaan. Mijn voeten waren helemaal bevroren. Gelukkig is het binnen lekker warm.’ Aha. Vrijwillig golven en dan ook nog klagen over de kou. Broer is toch een beetje een watje. En natuurlijk wil ik een bikkel. Ik hoef daarom niet te twijfelen over mijn beslissing: nee is en blijft nee.
¶ §Boos of niet boos
Hij stuurde mij een
sms een dag na Valentijnsdag en vroeg me mee uit. Ik bedankte voor de eer. Sindsdien ontloopt hij mij. En zijn zus ook. Normaal wil zus altijd met ons stappen. Ze stuurt vrijwel elke zaterdag een sms. Maar sinds 15 februari heb ik niets meer van haar gehoord. Dus zal ze wel boos op mij zijn. Of op zijn minst teleurgesteld. Broer en zus zijn heel hecht. Ze gaan altijd samen op vakantie. Zus heeft zelfs een kamer in het huis van broer. Vanzelfsprekend verschijnen ze ook regelmatig samen in de kroeg. En nu ik broer niet wil, hoeft zus mij ook niet meer. Tenminste dat denk ik. Dat is jammer, want zus is best een leuke meid. Daar kun je prima een borrel mee drinken. Het maakt mij niet uit of ze haar broer meeneemt. Wat mij betreft is er niets in de hand. We zijn niet voor niets volwassen. Ik zal hem niet pesten of negeren. Morgen zal ik weten hoe broer en zus werkelijk over mij denken. Omdat we allemaal zijn uitgenodigd voor de verjaardag van J. Ik vind het geen probleem om een statafel met ze te delen. Als zij daar wel moeite mee hebben, dan is dat hun probleem. Hoewel ik dat een beetje kinderachtig zou vinden. Maar met broer en zus weet je het maar nooit. Het maakt de verjaardag in elk geval veel interessanter.
¶ §Tranendal
‘Wat wil je drinken?’, vraagt A. ‘Een cafeïnevrije Senseo met melk’, zeg ik. ‘Dat is veel te ingewikkeld hoor. Ik ben Starbucks niet’, lacht A. Bij Starbucks is alles mogelijk op koffiegebied. Oprah bestelde er laatst een cafeïnevrije cappuccino met magere melk. Hoezo veeleisend. En ze kwam niet eens voor de koffie, maar voor de Starbucks-mevrouw. Die wilde ze in het zonnetje zetten. De Starbucks-mevrouw voedt in haar uppie zeven kinderen op. Daarom heeft ze het niet breed. Met kerst kan ze maar voor de helft van de kids een cadeautje kopen. Ze wonen met zijn allen in een heel klein flatje. Zonder privacy. En dat vond Oprah zielig. Dus nam ze de hele familie mee in haar geblindeerde verrassingsbus. Ze stopten bij een speelgoedwinkel. ‘Jullie mogen maar liefst een half uur gratis winkelen’, riep Oprah naar de kinderen. En dat hoefde ze natuurlijk geen tweede keer te zeggen. Maar het was wel zielig voor de Starbucks-mevrouw. Want zij mocht niet meedoen. Later in de studio maakte Oprah dit goed. ‘Schat je krijgt een huis van me’, zei Oprah. ‘Met meubels en een binnenhuisarchitect.’ Het publiek klapte en joelde luid. De Starbucks-mevrouw huilde, Oprah huilde en ik huilde. Vroeger kon ik mijn tranen gemakkelijk binnenhouden tijdens tv-programma's. Maar tegenwoordig ben ik veel sneller sentimenteel. Misschien moet ik overstappen op koffie met cafeïne. Om van mijn hoge watjesgehalte af te komen. Alleen een potje janken is soms zo heerlijk!
¶ §Kleurencomplot
‘Maar ik wil donkere strepen in mijn haar’, zegt het meisje. Ze is niet veel ouder dan tien. ‘Dat kan niet zegt de kapster. ‘Daar is je haar te licht voor. Blond is echt veel mooier bij jou.’ ‘En toch wil ik donkere strepen’, zeurt het meisje. ‘Ik haal je moeder er even bij’, zucht de kapster. ‘Dan vraag ik wel wat zij het mooiste vindt.’ ‘Schatje’, zegt de moeder. ‘Luister eens naar de kapster. Donkere strepen was je er zo weer uit. Dat is zonde. En blond is veel mooier.’ Het meisje legt zich bij deze beslissing neer. Ze mokt nog wel een beetje. ‘Sandra heeft ook donkere strepen en die is ook blond. Toevallig. Dus het kan echt wel.’ Gelukkig weet het meisje niet dat de kapster en haar moeder een complot hebben gesmeed. ‘Wil je alsjeblieft zeggen dat donkere strepen niet kunnen. Dat vind ik zo ordi’, zegt de moeder. ‘Oké’, zegt de kapster. ‘Maar als ze niet luistert, dan kan ik verder niets doen.’ ‘Naar jou luistert ze wel liefje. Vreemde ogen dwingen’, benadrukt de moeder. Ze drukt de kapster een briefje van tien euro in haar hand. En dus verandert het tienjarige meisje tegen haar wil in een stralende blondine. Wat is er op die leeftijd mis met een paardenstaart? Je kunt het als moeder ook te bont - of te blond - maken
¶ §Sneeuwpret
Mijn zusje en ik hadden de grootste slee van de buurt. Wij wonnen altijd als we wedstrijdje deden. Natuurlijk niet alleen door de grote van onze slee, maar ook omdat wij zeer goed konden sleeën. Met een noodgang sjeesden we van heuvels af en zelfs van een steile houten trap. Daarbij kenden wij geen angst. Sneeuwballen gooien behoorde ook tot onze favorieten. Maar daar waren we geen kei in. Dus legden we stiekem sneeuwballen in de vriezer, zodat ze extra hard werden. Hiermee bekogelden we Berry. De meest vervelende jongen uit de buurt, die het verdiende om de volle laag te krijgen. Dat was vroeger. Aan het eind van de dag breng ik collega I. naar het station. We schuifelen door de sneeuw. ‘Ik ben blij dat ik schoenen heb met rubberen zolen’, zeg ik. ‘Straks val ik nog. Dan breek ik een been of zo. Dat is echt iets voor mij.’ Plotseling horen wij een luide plof. Er valt een sneeuwbal voor onze voeten. Collega H. heeft een grijns op zijn gezicht. ‘Jullie gaan eraan’, zegt hij. ‘Je waagt het niet’, schreeuw ik. ‘Dan wordt mijn jas smerig.’ En voordat hij nogmaals kan gooien, zit ik in mijn auto met de deur op slot. Wat ben ik een mietje geworden zeg. Misschien moet ik vanavond weer even wat sneeuwballen in de vriezer leggen.
¶ §Groot, groter, grootst
‘Stel: je mag een droomauto uitkiezen. Ongeacht de prijs. Welke zou je dan kiezen?’, vraagt A. ‘Nou dat is duidelijk’, zeg ik. ‘Een Range Rover. Die zijn supergaaf, maar onbetaalbaar.’ Ik heb wat met Range Rovers. Het is een stoere en comfortabele auto. En zo móói. In het boek
De Eetclub van Saskia Noort rijden de hoofdpersonen ook in een Range Rover. Ze doen boodschappen in de PC Hooftstraat en verafschuwen de Aldi. Dat is een winkel zonder klasse en verboden terrein voor de Rover-rijder. Tenminste dat dacht ik. Bij de Aldi parkeert een vrouw haar enorme voertuig naast me. Het is een Rover met witlederen bekleding. Ze springt gemakkelijk uit de auto en haalt een boodschappentas met Burberry-ruit van de achterbank. Ondertussen slaat ze haar Hèrmes-sjaal stevig om haar schouders. Met haar vinger verwijdert ze wat sneeuw van haar lakschoenen. Daarna loopt ze koket en met opgeheven schouders de winkel in. Ze schaamt zich niet voor haar winkelkeuze. Vervolgens wil ik zelf uit de auto stappen. Maar het lukt niet. Tussen mijn autodeur en de Rover is amper tien centimeter ruimte. Ik moet mezelf via de bijrijderdeur naar buiten wringen. ‘Aso’, zeg ik. ‘Neem rijles. Of ga naar de Albert Heijn met die lompe bak van je!’ Dat laatste meende ik natuurlijk niet. Het is én blijft een beauty. Alleen rijden er (soms) de verkeerde mensen in.